Monnikenleven

Hoe wordt iemand monnik ?

Elke roeping is persoonlijk en moeilijk aan derden uit te leggen. Ieder beleeft ze vanuit zijn eigen relatie met God. Hier beschrijven wij dan ook alleen de verschillende etappes van een monniksleven. Een man, jong of minder jong – de leeftijd heeft geen belang – die denkt dat God hem roept, neemt contact op met pater novicemeester. Met diens hulp onderzoekt hij rustig, gedurende een jaar of twee, of hij werkelijk een kloosterroeping heeft en of dit verlangen aanhoudt.

De postulant

Als dit het geval is, vraagt hij om te mogen intreden. Hij wordt dan postulant. Gedurende een paar maanden volgt hij het dagelijkse leven binnen het klooster. Hij leert met de gemeenschap te leven en krijgt sommige onderrichtingen, die voor zijn opleiding noodzakelijk zijn: hij bestudeert de Regel van Sint-Benedictus, verdiept zijn kennis van de Bijbel, van de monastieke geschiedenis en van Maredsous in het bijzonder, hij wordt vertrouwd gemaakt met de liturgie en de diensten. Maar vooral leert hij zichzelf kennen om God te zoeken in het gebed, de gemeenschap en de arbeid.

De novice

Als de postulant volhardt in zijn voornemen om monnik te worden, wordt hij novice voor de duur van tenminste één jaar. Zijn levensprogramma blijft hetzelfde als dat van een postulant. Deze tijd is voor hem de gelegenheid om nog eens de gegrondheid van zijn roeping te toetsen, en voor de gemeenschap om hem beter te leren kennen en te oordelen of hij geschikt is om er deel van uit te maken.

De tijdelijke professie

Tot het einde van zijn noviciaat blijft de novice vrij om op ieder ogenblik uit te treden, daar hij nog geen verbintenis aangegaan heeft. Als hij beslist het kloosterleven voort te zetten, richt hij een verzoek tot de gemeenschap: hij vraagt om er deel van te mogen uitmaken en zijn eerste kloostergeloften af te mogen leggen. Het kapittel moet hierover beraadslagen en ermee instemmen. Daartoe is een meerderheid van twee derde der van de stemmen vereist.

De jonge monnik legt dan zijn eerste kloostergeloften af voor drie jaar. Bij de Benedictijnen zijn er drie geloften: stabiliteit (monnik van Maredsous blijven), monastiek levensgedrag en gehoorzaamheid. Hij legt deze geloften af ten overstaan van Vader Abt en de gemeenschap en schrijft ze op een oorkonde, die hij op het altaar in de kerk ondertekent. Het is een handeling die Sint Benedictus zelf met een veel plechtigheid wou zien uitgevoerd worden.

Als hij de oorkonde op het altaar heeft neergelegd, heft de novice het vers aan: “Suscipe me, Domine, secundum eloquium tuum, et vivam; et nog confundas me ab expectatione mea” (Neem mij aan, Heer, volgens uw woord en zal ik leven, en stel mij niet teleur in mijn verwachting”).

De hele gemeenschap herneemt dit vers driemaal en voegt er ”Gloria Patri” aan toe. Daarna gaat de nieuwe broeder zich voor de voeten van allen neerwerpen om hun gebed te vragen, en van die dag af wordt hij beschouwd als lid van de gemeenschap. Tijdens de daaropvolgende periode bestudeert de jonge monnik de gewijde wetenschappen: filosofie en theologie, volgens een aangepast studieprogramma.

De professie voor het leven

Na de periode van drie jaar kan de tijdelijk geprofeste het klooster nog verlaten. In dat geval is het zowel voor hem als voor de gemeenschap duidelijk dat hij slechts gebonden was voor drie jaar en dat hij maar voor die tijd aangenomen werd. Wil hij nu zijn kloosterleven voortzetten, dan vraagt hij opnieuw om zijn geloften te mogen afleggen, niet meer voor drie jaar, maar voor heel zijn leven. Het kapittel zal opnieuw over zijn aanvraag stemmen, deze keer bij volstrekte meerderheid. Als de uitslag van de stemming gunstig is, legt de jonge monnik zijn plechtige geloften af, die hem zijn leven lang binden. De gemeenschap van haar kant ontvangt hem als een volwaardig lid, voor altijd.

Deze procedure kan lang en omslachtig lijken. Ze wordt ingegeven door wijsheid, die niet haastig te werk gaat. Een kloosterroeping en een levensroeping zijn van groot belang. Ze moeten voldoende beproefd worden, want de jonge monnik en de gemeenschap die hem opneemt moeten in staat zijn alles te delen: de vreugden maar ook de beproevingen en de risico’s van het dagelijkse leven.

De priesters

Na de professie worden sommige monniken tot priester gewijd, naargelang de gemeenschap er behoefte aan heeft. Maar priester of niet, allen zijn in het klooster gelijkberechtigd.